Samstag, 2. Januar 2016

Verwerking Ext. (D)

Vooraleer ik de karakteristieken van het te onderzoeken proces verder toelicht zal even stilgestaan worden bij enige algemeenheden inzake de verwerking. Uit de voorgaande literatuurstudie kwam naar voren dat actie een representationele activiteit vertegenwoordigd die enigszins tot een centraal model van cognitie leidt. Centraal in die zin dat dat nuancering mogelijk is door de invloed van de context op de representaties. Hierbij wordt het zelfs mogelijk geacht dat de initiële uitsluitend individuele rol zelfs kan gesupplemteerd worden door een distributieve vorm van verwerking. Dit zou dan via de integratie van interactie verlopen. Dit gezichtspunt van een centraal bewust subject, waar andere processen op geörienteerd kunnen worden bestaat al lang en is eigen aan de pragmatische benadering (James, 1912).

Door de wereld op een gepaste manier waar te nemen zal het mogelijk worden om deze meer beschikbaar te maken. Dit is een proces van facilitatie dat aangenomen wordt via onze acties te verlopen (Rowlands, 2005). Wat een functionele manier van benaderen inhoudt, hetgeen courant is binnen het wetenschappelijk beschrijven en verklaren van processen. Hoewel op deze manier niet het proces, hoe het is, wordt beschreven los van de gedragsmatige consequenties, lijkt dit de juiste keuze vanuit huidig standpunt. Dit wil niet zeggen dat er geen vooronderstellingen kunnen of mogen worden gemaakt over het structurele gedeelte van representaties en de transformaties of ook wel cognitieve processen die hierbij horen. De gehanteerde benadering is echter eerder conform met heel wat bevindingen hetgeen de zaak een stuk makkelijker lijkt te maken. Indien de rol van interne representaties is voorzien met de essentie van de situatie dan zal de onbekendheid van de exacte bewuste inhoud een beperkend doch minder relevant probleem vormen. De eigenschap om verschillende inhoud tegelijkertijd te kunnen representeren lijkt zelfs door het bestaan in de wereld en het zich op die manier aanpassen functioneel bepaald. Een precies antwoord blijft dus sowieso uit, en de werkelijke inhoud blijft veranderlijk.

Omdat hier het werkmodel wordt gehanteerd dat actie bepalend is naar de representaties toe, doen we hier geen onmiddelijke poging om na te gaan welke aard deze representaties kunnen hebben los hiervan. Indien men het belang van de wereld, als medeoorzaak van veranderend mentale inhouden wil toelichten, is het wel belangrijk een verbinding te leggen met externe gegevenheden. Idealiter zou er zelfs van een soort kaart van de waargenomen wereld sprake zijn, al is deze benadering in de exacte vorm onderhevig aan veel kritiek. Indien er zo benaderd wordt kan slechts gezocht worden naar een voorstelling van de externe wereld die partieel is, niet compleet, en ontbrekend in detail. McGinn (1989) neemt in zijn behandeling van externalisme aan dat wanneer externalisme sterk wordt geformuleerd mensen slechts de wereld rondom op een indirecte manier kunnen voorstellen. Al kan dit ook voordelen bieden voor de verwerking van verschillende soorten informatie. Een dergelijke manier van representeren maakt het immers mogelijk de inhoud beter beschikbaar te maken, om even welke functie of even welk hiermee gerelateerd mechanisme. Het gaat immers om hoe een geheelheid extensie kan krijgen zodat er geleerd kan worden van deze geheelheid.

O'Regan et al. (2000) tonen in experimenten rond change blindness en inattentive blindness aan dat we vaak grove situationele aspecten onze perceptie laten sturen. Niet de ogenschijnlijk belangrijke of opvallende elementen moeten in eerste instantie in het oog springen maar wel de algemene situatie. We percepiëren de wereld veel minder sequentieel dan wat we zouden denken. Een mogelijke uitgangspositie die naar voren kan geschoven worden is deze van situatedness. Meer specifiek betekent dit de interactie tussen agent, situatie en de context. Waarbij de agent het individu is in kwestie, de situatie de fysieke omgeving en de context de afhankelijkheid of embeddedness ten opzichte van verschillende factoren. Het onderscheid wordt gemaakt tussen contexten die globaal zijn, die socio-cultureel worden gegeven en contexten die locaal zijn en dus als kleiner worden omschreven (Clancey, 2002). Naast dit onderscheid is het belangrijker het onderscheid te maken tussen intercontext en intracontext (Semin & Smith, 2002). De eerste heeft betrekking met de sociale gedeelde realiteit waar de tweede een partiële mapping hiervan uitmaakt. Deze laatste speelt een rol bij het leerproces als zodanig en het betekenis verlenen aan specifieke situaties of taken. De intracontext wordt gevormd door concepten die constant worden gemodificeerd door interactie. Binnen dit subsymbolisch proces wordt symbol grounding belangrijk geacht, wat verantwoordelijk is voor de aanpassing aan de realiteit. Hoewel dit proces steeds wordt bijgestuurd aan de situatie veronderstelt men dat niet zo zeer proposities van belang zijn maar dat het werkelijk om contextuele kennis gaat die op zichzelf staat. Waar binnen intercontext het om het globale socialiseren gaat, gaat het bij de intracontext echter om individualisatie. Er wordt hier dus expliciet aanstalte gemaakt dat specifieke taken worden geleerd en de ontwikkeling bevorderen. Hierbinnen kunnen zowel fysieke als sociale elementen een rol spelen (Dautenhahn et al., 2002). De intracontext vormt concepten uit ervaren situaties en op basis van deze ervaringen worden door middel van abstractie situaties als gelijkaardig gecategoriseerd. Waaruit volgt dat dat de typicaliteit van een sitiuatie centraal te maken heeft met gebruik van de intracontext (Rohlfing, 2001).

Ook de enactieve benadering van de perceptie houdt in dat subjecten door middel van actie hun perceptie structureren (Noë, 2004). Hier wordt meer specifiek aangenomen dat door het sensorimotorisch aanwenden van informatie we tot impliciete praktische kennis komen (O'Regan & Noë, 2003). Hoewel enerzijds de idee van perceptie als activiteit wordt erkend, hetgeen tevens in de ecologische benadering wordt voorgesteld, ligt de essentie van dit proces dus eerder bij de actie zelf. Het gaat hem hierenboven in mindere mate om het operante principe van reinforcement. Dit betekent dat het proces van opportuniteiten of affordances, wat een sleutelbegrip is binnen de ecologische benadering, geen centraal kenmerk inhoudt. De (visuele) perceptie wordt hierbij sterk door de tast vormgegeven, wat op beurt bepaald wordt door wat we aankunnen of waar we klaar voor zijn. Als het om de inhoud van perifere of contextuele informatie gaat wordt hier ook benadrukt dat er een gebrek is aan detail. Het is inzake deze informatie dat de wereld zelf als het beste model kan bekeken worden (Brooks, 1991). O'Regan (1992) spreekt ook wel van 'het externe geheugen'. Men neemt hierbij echter aan dat we niet gericht zijn op een perceptie van een dergelijk geheel. Wat we wel doen is de wereld percepiëren in het verlengde van onze kennis omtrent onze acties. Zo maken we de wereld meer toegankelijk of available tegenover de omgeving naargelang de uitvoering van gedrag. Zelfs wanneer dit betekent dat dit geen strict gericht zijn is op opportuniteiten. Men kan in deze benadering waarneming en actie niet echt dissociëren.

Toch moeten we effectief zijn wanneer ons binnen de omgeving gaan begeven. Uiteindelijk betekent dit wel de inhoud van de waarneming. Volgens Thompson Clarke (1965) is de relatie met de omgeving niet één van deel zijn van de omgeving maar wel één van de omgeving zelf zijn. Om tot inhoud binnen deze enactieve benadering te komen moeten we dus het begrip extendedness integreren. Dit wordt gedaan door een spatiële relatie tegenover deze complexiteit in te voeren. Belangrijke begrippen hierbij zijn: de omvang, de vorm, het volume en de afstand. Deze worden door ons ervaren dankzij de bezitname van sensorimotorische vaardigheden. Schatting is hierbij een typerend onderdeel om dit mechanisme te funderen. Men spreekt hierbij ook van P-properties. Binnen de enactieve benadering worden deze eigenschappen niet als mentale entiteiten bekeken maar worden ze eerder relationeel bestempeld. Tevens wordt aangenomen dat men niet per se expliciet over deze aspecten nadenkt maar ze juist ervaart op een noninferentiële manier via het sensorimotorisch profiel. Zo wordt de wereld toegankelijk via onze geografische positie en krijgt perceptie perspectief. We maken feitelijk een spatiële inhoud eigen. Door zich te mediëren in de sensorimotorische ruimte door middel van het gedrag wordt in inhoud van de perceptie voorzien. Dit is op beurt van toepassing voor een betere ervaring. Wat een proces is van zich aanpassen langs gepaste sensorimotorische kennis en uiteraard alleen kan wanneer mensen actief interageren met hun omgeving. Aanpassing produceert hierbij een intermodaal conflict tussen het zicht enerzijds en de proprioceptie/kinestesie anderzijds. Bach-y-Rita (1996) stelt hierbij een model voor dat het Tactile Vision Substitution System (TVSS) heet. Hier wordt spatiële waarneming via tactiele sensatie voorgesteld. Door het benutten van deze informatie door middel van sensorimotorisch begrip kunnen we sensorimotorische vaardigheden als 'proto-conceptuele' vaardigheden bekijken. Er wordt door Noë (2004) aangenomen dat waaarschijnlijkheid en evaluatie hierbij een rol moeten spelen. Naast de dimensie van de feitelijke inhouden is vooral de dimensie van de perspectief inhouden relevant. Deze leggen immers de relatie met het persoonlijke perspectief inclusief de veranderlijke relatie met de wereld en hoe we de stand van zaken (kunnen) nagaan. Op zich is dit sterk met het concept bewustzijn verbandhoudend, en dit raamwerk houdt dan ook een verklaring in hoe ervaring en perceptie hieraan kunnen bijdragen.

Hoe dan ook is het zo dat het concept van extern geheugen voor problemen zorgt vanuit de enactieve benadering. Er zou een constante link moeten bestaan met de omgeving, dit is moeilijk vol te houden naar een dieper proces toe. Daarom moet dit model uitbreiding vinden met concepten die de link leggen met actieve of deductieve processen en/of geheugenprocessen die toestaan om vanuit een pragmatisch standpunt deze opgedane ervaring stabiel te mediëren.

Intentie Ext. (C)

Om de doelgerichtheid van een proces te beschrijven zijn er drie elementen van belang. In de eerste plaats is er het doel, vervolgens is er de act, en ten slotte is er het causale verband hiertussen. Een intentie is hierbij een speciaal type doel, het is namelijk het doel om zich te engageren in een act. Wanneer zowel het doel om te ageren aanwezig is als eveneens de act, maar wanneer het doel niet de oorzaak is van act dan is de act niet intentioneel (Searle, 1983; Haugeland, 1990).

Dit wil niet zeggen dat de realiteit altijd zo eenduidig is. Zo kunnen intenties ten opzichte van elkaar in competitie gaan zodat de kritische intentie voldoende kracht moet vertonen in vergelijking met andere intenties (James, 1890; Wundt, 1902). Er zijn zelfs opponenten tegenover het causale gezichtspunt die het triviale idee afweren dat een intentionele act moet veroorzaakt worden door een intentie. Een individu kan gericht worden een actie uit te voeren zonder een werkelijke representatie van de act zelf. In deze context maakten Wakefield & Dreyfus (1991) het onderscheid tussen R-intentionaliteit and G-intentionaliteit. Waar R-intentionaliteit staat voor representatie-gemedieerde intentionaliteit staat G-intentionaliteit voor gestalt intentionaliteit. Deze laatste is een vorm van emergerende intentionaliteit en wordt ook wel goal-dependence genoemd.

Binnen de dynamic systems benadering wordt aangenomen dat het merendeel van ons gedrag emergeert vanuit een bottom-up activiteit waarbij verschillende beperkingen in rekening worden gehouden (Carver & Scheier, 2002). Veel acties worden niet door representaties van acties gegenereerd. Maar zijn wel het resultaat van verschillende interagerende invloeden die gecombineerd worden met een niet gespecifiëerde tendens naar het streven naar verhoogde coherentie. Een gelijkaardig gezichtspunt wordt aangenomen binnen de connectionistische benadering. Waar subsymbolische representaties worden gepostuleerd. Er zijn onderliggende processen die ervoor zorgen die zowel het gevoel van intentionaliteit als die de act op zich bewerkstelligen (Wegner, 2003).

Om deze tegenstrijdigheid op te vatten heeft Livet (2010) twee soorten intenties geformuleerd. Naast de motivationele intentie waarbij enigszins een bewust doel wordt gehanteerd is er de formatieve intentie die automatisch en onbewust doorwerkt. Deze laatste vertoont affiniteit met het leren in groep en houdt verband met het globale beeld dat men heeft over een situatie. Hierbij rekening houdend dat steeds de situatie in rekening dient genomen te worden om in een optimale ontwikkeling te voorzien. In wezen geeft dit ook aan dat minder bewust bekende zaken wel worden geleerd door dagdagelijkse interactie met de omgeving. Rowlands (2010) maakt in dit verband onderscheid tussen persoonlijke en subpersoonlijke verwerking. Een proces dat persoonlijk verwerkt licht het eigen subject in terwijl een proces dat subpersoonlijk verwerkt voor volgend verloop belangrijk is. Bij beiden soorten processen is het belangrijker dat de functie wordt vervuld dan dat een proces op zich plaatsvindt. Waarbij de algemene functie van een verwerkingsproces wordt getypeerd als het ter beschikking maken van informatie.

Volgens Grammont, Legrand, & Livet (2010) zullen we voornamelijk vanuit het eigen gedragsrepertoire leren. Deze familiariteit kan opgevat worden als een groep schema's die in mindere of meerdere mate bekend zijn bij een individu. Daar cognitie het doel heeft informatie beschikbaar te maken wordt aangenomen dat cognitie op zich intentioneel is. Dit betekent dat algemene positiename tevens van belang is voor formatieve intentionaliteit. Dit is een zaak van ervaring, gezien ervaring gebaseerd is op het empirisch blootleggen en ontluiken van informatie. De these is dus dat door het in de wereld zijn, cognitie op zich een zekere mate van intelligentie in zich herbergt.

In een verdediging over de enactively extended intentionality geeft ook Shaun Gallagher (2011) het belang van intersubjectiviteit aan. Door de integratie van enacted embodiment en extendedness hanteert hij twee aspecten die ervoor staan dat de acties in de wereld zelf van belang zijn. Hij verwijst hierbij naar ondermeer Husserl die het onderscheid maakt tussen operatieve intentionaliteit en act intentionaliteit. Bij de eerste wordt de aandacht verlegd naar de ervarende agent die intentioneel geëngageerd is met de wereld via acties en projecten die niet louter te reduceren vallen met mentale staten. Er wordt hiernaast expliciet nadruk gelegd dat er in wezen enkel sprake is van een lichamelijke intentionaliteit. Ook Merleau-Ponty (1945/1962) oppert deze gestuurdheid naar een doel of project en geeft aan dat we wel degelijk zo worden begrepen door anderen. Er is met andere woorden sprake van een externalistisch gezichtspunt dat aanneemt dat intentionaliteit iets is dat we kunnen onderscheiden via het gedrag en niet noodzakelijk verborgen is in ons hoofd.

Het neo-behavioristische gezichtspunt is hierbij te sterk gebaseerd is op het aspect van de observator die intentionaliteit afleidt. Wanneer we dit voor steeds meer mensen toepassen leidt dit tot een oneindige regressie. Deze opvatting is dus moeilijk bruikbaar voor collectieve doeleinden. Het neo-pragmatische gezichtspunt is origineel ook niet bruikbaar omdat het te veel introspectieve simulatie veranderstelt. Dit vormt een probleem omdat heel wat gedragingen die intentioneel kunnen worden opgevat niet als zodanig mogen worden geäccepteerd. Dit vormt natuurlijk een probleem gezien recente bevinden uitwijzen dat spiegelneuronen die erg belangrijk zijn voor zowel de eigen intentionaliteit als het toeschrijven van intentionaliteit bij anderen objectneutraal zijn. In het neo-pragmatische gezichtspunt wordt immers aangegeven dat deze introspectieve simulatie erg normatief wordt vormgegeven. Er dient dus een neo-pragmatisch gezichtspnt worden geformuleerd dat in essentie gebaseerd is op interactie in plaats van een te nauwe normatieve introspectie.

Gallagher & Mayahari (2009) geven verder in hun verhandeling te kennen dat er dient gezocht te worden naar subpersoonlijke aspecten van agenten die onbewust zich coördineren. Tussenlichamelijke processen zoals Merleau-Ponty () dat beschreven heeft.
Het motorische aspect is hierbij van significant belang doordat binnen de theorievorming rond intentionaliteit dit aangetoond kan worden. Gallagher (2) geeft aan dat de abstractie die men maakt van zichzelf en anderen van wat men strict motorisch doet en kan doen fundamenteel is aan ons brein. Verder is het van belang dat we lichaamsschema's hanteren die inhouden dat we ons binnen een mental space oriënteren die gebaseerd op zowel de motorische actie van onszelf als die van anderen. Dit resulteert in een nadruk op sociale contingentie die emergeert vanuit het interactieproces zelf. Hierbij wordt er dus van een reductie naar individuele agenten afgestapt en wordt de nadruk op de koppeling hiertussen gelegd. Met andere woorden: de ervarende agent is intentioneel geëngageerd met de wereld door acties en projecten die niet te reduceren vallen als simple mentale staten, maar houden een intentionaliteit in die zowel motorisch is als lichamelijk. Waarbij we het doel of project in eerste instantie niet ongereduceerd kunnen waarnemen in anderen.

Dit is meer basaal dan op taal gebaseerde semantische intentionaliteit. Enkel semantische processen zijn immers op bewustzijn gebaseerd. In se gaat het dus om een subpersoonlijke aanwenden om een verband te leggen te leggen met een persoonlijk proces. In die mate is de extendedness wel degelijk van belang en kan er hier dus gezocht worden naar psychologische toepassingen. Hierbij dienen we een taak te vinden die communicatieve of narratieve geldingskracht heeft. Een pragmatische taak waarbij andermans actie enkel affordance heeft. Eveneens feedback wordt geleid via dergelijke veronderstelde processen. Er is immers een complexiteit met de veranderingen in de wereld. Er zijn responsen van het systeem en er zijn responsen van zichzelf. Bepaalde delen van de wereld dienen dus geïncorporeerd worden in dergelijke praktijken. Hierbij moet echter steeds in rekening genomen te worden dat bepaalde gebruiken beter zullen worden verwerkt dan anderen. Hierbij speelt het aspect van iets zelf kunnen een grote rol. Vandaar dat een pragmatische taak dan ook zal dienen als onderzoeksobject van deze verhandeling.

Controle Ext. (B)

De input vanuit de omgeving is in het proces van terugkoppeling bij collectief intelligent gedrag van termieten erg belangrijk. Door het manipuleren van het gedrag, zoals de gang van bewegen, krijgt het andere informatie binnen die van bijzondere waarde blijkt. Ook wanneer het streven om geschikte informatie niet meteen wordt bereikt zal een termiet het gedrag aanpassen om toch tot de gewenste oriëntering te komen. We zien dus dat binnenkomende informatie gepaard gaat met gedrag dat ontegensprekelijk doelgericht is (Webb & Clark, 2015).

Naast dat dit gedrag geörganiseerd is rond het doelgericht implementeren van de omgeving dienen we te herkennen dat elke stap in het collectieve proces wordt uitgevoerd door een enkel individu. Dit wordt de agent genoemd en is in het voorgaande voorbeeld dus een individuele termiet. Indien een agent op een enigszins adaptieve manier een doel wil bereiken moet er daarnaast ook van informatieverwerking sprake zijn, en meer specifiek van een cognitief proces. Belangrijk hierbij is dat er een onderscheid kan gemaakt worden tussen enerzijds de omgeving en anderzijds zichzelf. In het gebied van artificiële intelligentie van machines wordt er ook wel gesproken van het bias-variety dilemma. Hier wordt aangenomen dat we door bepaalde regels die niet louter zijn gebaseerd op het oppikken van informatie we ons beter aan de omgeving kunnen aanpassen. Deze regels worden ook wel heuristieken genoemd. Wat dan gesupplementeerd wordt door een zich oriënteren op verschillen. Wel omdat deze methode op zichzelf vaak onvoldoende efficiënt zou blijken. In het geval van de termieten zijn de eigenschappen en acties natuurlijk anders gegeven dan bij mensen. Maar toch kunnen de kenmerken van dit onderscheid ook wel toegepast worden bij mensen. Een interessant concept dat hieruit voort kan afgeleid worden is het gebruik van context.

Door het gebruik van contextuele informatie gaan we eveneens gebruik maken van verschil naast een meer directe en regelgerichte verwerking. Er kan zelfs vanuit deze samenhang worden gesteld dat context essentiëel is voor een correcte aanpassing aan de realiteit, wat ervoor zorgt dat naast algemene weinig rechtstreeks toepasbare doelen eveneens een middel wordt voorzien om gepaste selectie van de respons te bekomen. Een agent stelt dus intelligent gedrag niet omdat het doet wat het wil doen maar omdat het de omgeving zo verwerkt dat zowel de eigen karakteristieken als die van de omgeving in rekening kunnen worden genomen. Door de abstractie van informatie uit de omgeving te combineren met eigen actie die teruggekoppeld wordt zullen we dus als mensen op een gelijkaardige wijze als termieten ons gedrag kunnen sturen. Wat in essentie van belang is bij het gebruik van context is het leggen van verbanden en samenhangen, en dit betekent dus dat nieuwe verbanden de mogelijkheid kunnen hebben om aanwezige samenhangen te corrigeren. Zo kan er tot een geïntegreerd cognitief systeem worden gekomen dat enigszins dynamisch flexibel is (Rupert, 2014).

Bij gevolg is ons organisatorisch vermogen meer variabel en geïndividualiseerd dan dat van termieten. Hoewel we meer dan we vermoeden afhankelijk zijn van contextuele verwerking. Bij studies van jonge kinderen toont men in het vakgebied van ontwikkelingspsycholgie aan dat bij false belief taken wel degelijk eerder van context wordt gebruik gemaakt bij de regulatie van de eigen acties en oordelen dan van wezenlijke overtuigingen of inzichten. Deze tendens blijft ook aanwezig doorheen het verdere leven en wordt niet vervangen of aangevuld als proces maar blijft quasi onafhankelijk bestaan. Deze distributieve manier van verwerking heeft vooral belang bij sociaal leren wat vaak progressief verloopt.

Het belang van contextuele informatie wordt ook aangetoond door Mon-Williams & Bingham (2008). Uit hun experiment blijkt dat wanneer de uitvoering van een oriënteringstaak wordt verhinderd de relevante informatie niet wordt benut. De verklaring die hieraan wordt gegeven is dat de abstracte projecties die bij een onverstoorde uitvoering wel worden gemaakt ervoor zorgen dat er een vrij accurate implementatie van informatie is vanuit de omgeving. Tevens kan men hieruit besluiten dat contextuele informatie niet altijd wordt benut en onverstoorde actie een significante rol speelt. Men spreekt van een probabilistisch verband, wat betekent dat bepaalde segmenten van onze ervaring beter worden gebruikt en aangewend dan andere. Dit met inbegrip van een inrekeningname van deze informatie. Het concept van regressie doorheen de tijd in de zin dat we meerdere informatie tegelijkertijd en doorheen de tijd hanteren wordt eveneens door Kahneman (2011) beschreven.

Putnam (1967) geeft aan dat mentale staten hierbij een non-computationele rol vervullen. Dit is zo binnen het gebied van communicatie maar kan ook van tel zijn bij processen als het incorporeren van de materiële externe realiteit. Het handhaven van systemische stabiliteit in een homeostatisch dynamisch systeem houdt immers in dat bepaalde kritische variabelen binnen bepaalde kritische grenzen worden gehouden. Niet alleen is dit gerelateerd met het gebruik van context maar ook met dat van representaties in het algemeen. Wat als cognitief telt moet vast gehouden worden door de complexe structuur van het innerlijke. Rupert (2014) geeft bovendien aan dat bij het memoriseren van informatie er meer kans is dat we iets niet verwerken wanneer dit zonder actieve participatie verloopt en dus louter via de omgeving wordt geregistreerd.

Dit idee krijgt ook vorm bij een nauwgezette interpretatie van Rowlands van het ecologische model van perceptie. Het gebruik van representaties wordt binnen de dit model uitsluitend toegeschreven aan gedrag. Indien we dit model volgen zou dit dan dus betekenen dat actie bepalend is op vlak van het aanmaken van nieuwe (perceptuele) representaties (Gibson, 1979). Het gebruik van representaties is echter niet zonder meer een evidentie. Hoewel het klopt dat de cognitieve wetenschap veel baat heeft door centralisatie door middel van een agent, blijkt het zo te zijn dat de mentale inhoud een vrij variabele inhoud weergeeft die sterk door de context wordt bepaald. Het hebben van representaties die nauw afgelijnd zijn met zowel de actie als de omgeving lijkt dus bij voorkeur aanwezig. Doch dient ook in rekening genomen te worden dat context in de meeste gevallen gericht is op de omgeving en dat er sprake kan zijn van beperkingen ten opzichte van het tot integratie brengen van het cognitieve systeem of de operatie als zodanig. Er moet dus enige flexibiliteit in de redenering worden voorzien met inbegrip van de kennis dat er geen sluitende data zijn in wanneer wel en wanneer niet contextuele informatie wordt gebruikt en duurzaamheid vertoont. Het debat rond substantialiteit en subjectiviteit is natuurlijk lang bestaande. Een belangrijke eigenschap van subjectivisme is immers dat het extern geörienteerd is (Bergson, 1908).

Wanneer zowel het gedrag als de context belangrijk is lijkt het aannemelijk dat dit een cummulerend effect heeft op het gebied van interacties die we aangaan. De Jaegher (2010) beschrijft interactie als een wederzijds geëngageerde gecoreguleerde koppeling tussen tenminste twee autonome agenten waar de coregulatie en de koppeling een zelfinstandhoudende organisatie constitueren in het domein van de relationele dynamica. Wanneer we dit aandachtig implementeren kunnen we net hetzelfde onderscheid postuleren dan dat van enerzijds gedrag of actie en anderderzijds context. Het eerste kunnen we gelijkstellen met enactive embodiment. Uiteraard is actie steeds embodied in de psychologie gezien een actie steeds wordt uitgevoerd via een agent. Anderzijds kunnen we de rol van de context relateren met extendedness. De combinatie van zowel embodiment als extendedness wordt door Rowlands als 'the amalgamated mind' beschreven en is volgens hem een ideale oriëntatie om het niet-Cartesiaanse standpunt empirisch te onderzoeken. Dit standpunt geeft aan dat ook het toegankelijk worden van informatie via het lichaam en uit de omgeving naast bij dat van het brein mogelijk is. Tevens wordt aangenomen dat mentale staten in het subject hier enigszins centraal mee gerelateerd zijn. Dit wil echter niet zeggen dat dit verband steeds rechtstreeks is, gezien dit fenomeen niet altijd onmiddelijk te observeren valt. Mogelijk onderzoek hiertoe zou betekenen dat groepen met een gezamelijke context of extendedness andere mentale staten vertonen dan andere verschillende doch vergelijkbare groepen. Op deze manier zou een verklaring geboden worden door middel van voorgaane samenhang. Eveneens is het relevant om de betekenis van de (inter)actie na te gaan inzake deze mogelijke constituerende factor.

Donnerstag, 31. Dezember 2015

Thinking And Falling Down.

I saw a report about the power of intention. I come to see intention as a process which is mostly guided by the body. Of course there is also intention so far we have our mind in mind. The report was about being not so stressed by complexes or complexities which are not of use in the little steps we make in our lives. Most of all it is about feeling (good) I think. It is seeing the world as a less clearly demanding place. So that seeing things becomes possible as an act of love. Of course this is true, so far that a world of competition and pressure would only make you unnecessarily worried over certain things that aren't not so certain as a fact.

Later on, I agonized about an old post of mine. It is called reification. I was thinking this with what I learned out of this report. If there is such a thing as a conceptual archetype. Which is grounded in our minds, and which can be different across other types of people. This would be responsible for the creation of prototypes (which are regarded very important in our cognition) via abilities. An archetype, which is not necessarily deviated from Carl Gustav Jung, says something about how we think and imagine. How we feel, how we come to meaning and judgment. If this is true there should be certain distinctions. Like female psychology and male psychology. These are personality traits. Also abilities could be responsible for an other approach towards prototypes. Prototypes can differ, from person to person, and from culture to culture, ... It is the salience and the characterization which is important. But since the profile is not dependent of the content of it, there should be a sort of mentalism showing effect. A mentalism which in association with personality and its structure (also the interaction and exploration of the world, of course). Since people are different in their approach to deal with a certain task. There are maybe levels and differences in how they come to a solution. What is of interest is the distribution. Basically, the mean is determined by high and low ends. But this is not interesting. To be collectively intelligent, the mean has to be determined by the same process which is of value at different levels. High intelligence means better adaptation. Low intelligence means worse adaptation. If this is the construct there would be more different ideas at the side of low intelligent people which makes the prototype more diverse. High adaption means conservative choice. Which is good, but gives no collective intelligent decisions. Since diversity is very important as a concept in self-organization, this means that when the group is big enough there will be a contra-intuitive gain. Which cognitive structure is responsible here fore is a mystery. Negativity (or the use of difference) is the basis of logic as well. Also there is such a thing as optimism biases. I don't see the point how this would translate into mathematical measures. There must be some dichotomy which is striking.

Sonntag, 22. November 2015

Pop Music.

Reality, modeling, repetition, shared joy, simplicity.

In combination with, ideas.

Donnerstag, 1. Oktober 2015

Perspectival Consciousness.

The thing about perspective that is that it has not to do with empathy per se. This means that foremost the action, and the state of affairs is hereby the most important thing. Still perspective is of major importance to learn and develop at the fullest. It is by perspective that we encounter new situations in an intelligent manner. Maybe it is a sort of selection and zoom who puts things in new combinations while integrating information. The senses are hereby very important since this extendedness forms a basis for the contact with the world.

Thoughts without content are empty, ...


This mediation is of course also with the thoughts there and the meaning they have in play. In some way choice is determinant and in life often enough casual. It is not all adaptation and affordance, it is also realism and know-how. There is some kind of centrality needed to be righteous. This is matter of "it" rather than "part." This principle is of course often used in humor and discrimination, even in nurture. The latter part gets stressed, but after all, this will bring you not much further. Certainly when punishment for essential being values is at stake.

Intuitions without concepts are blind, ...

Dienstag, 29. September 2015

No Tricks.

That is what I am thinking. The enactive approach to perception holds an implicit understanding which can be seen as sort of ongoing knowledge. But even if we can use body-language into social conduct it is not that this implicit knowledge grows over the other people like one or the other undefined system. No, we learn what we have to learn, and we do what we are able to. It stops somewhere, so why bother about processes that are shared into interaction and could have a special connection between world and others? But it does bother me of course, since there is no clear focus on real understanding. We understand implicitly, and the question remains unsolved what memory has to do with it. Cause how I see it now, it seems that we are talking about an explanation of procedural memory, which is in fact closely bound to action.

Of course perception is perception, and we could see things more in function of this concept than that of action. The role of action would be as a result very significant but not central. Maybe this is a good way to regard it, action learns us about the consequences of our deeds. Those results shape new perceptions, which is a process which could be linked with other processes, like Self-processes, categorization processes, judgmental processes, ... All processes which deal on a certain level with perception. But I am afraid of this simulation-analogy. I want to put things concrete. Some tasks could be more complex and more long-term, even if some write that complex tasks have to be handled with awareness. This is indeed a central claim, that they are not!!